Stappenplan 

Stap 1: Onderwerp introduceren en voorkennis activeren

Leerlingen die in de tweede graad een economische studierichting volgden, maakten doorgaans al kennis met het begrip sociaal overleg. In de derde graad kunnen echter ook leerlingen instromen die geen economische vooropleiding hebben genoten. Het is daarom belangrijk om bij de start de aanwezige voorkennis te activeren en eventuele verschillen in voorkennis in kaart te brengen. Tegelijk biedt deze stap de leerkracht inzicht welke onderdelen extra aandacht of verduidelijking vereisen en welke leerinhouden reeds voldoende gekend zijn.

 

Wat doet de leerkracht? 

Voorbereiding: De leerkracht bereidt een Wooclap voor met daarin een 5-tal vragen over het thema sociaal overleg.  

Tijdens de les: Voor de start van de les zorgt de leerkracht dat de Wooclap reeds open staat. Wanneer de les begint, vraagt de leerkracht aan de leerlingen om hun laptop tevoorschijn te halen en naar volgende website te surfen: https://www.wooclap.com/. De leerkracht schrijft de code op het bord. Nadat de leerlingen hun antwoorden hebben ingediend, bespreekt de leerkracht deze kort klassikaal en vult waar nodig aan met extra informatie en verduidelijking. De leerkracht laat de mogelijkheid aan de leerlingen om hun antwoorden toe te lichten. 

Wat doen de leerlingen? 

De leerlingen halen in stilte hun laptop uit de boekentas en surfen naar de Wooclap-website. Telkens wanneer er een nieuwe vraag verschijnt, typen ze een antwoord in. 

Koppeling ZDT (stap 1) 

De eerste opdracht speelt in op de drie basisbehoeften. De Wooclap laat toe dat leerlingen zelf kunnen beslissen welke informatie ze over sociaal overleg willen delen met de klas. De vragen over sociaal overleg kunnen bij leerlingen uiteenlopende antwoorden en inzichten oproepen. Dit draagt bij aan de basisbehoefte Autonomie. De antwoorden worden in een latere fase van deze stap klassikaal overlopen, waarbij de leerkracht de ruimte laat om op elkaars antwoorden in te gaan. Op manier onderstaat er interactie tussen de leerkracht en de klasgroep, alsook tussen de leerlingen onderling. Dit komt de Verbondenheid ten goede. Tot slot versterkt deze opdracht ook de Competentie van leerlingen. De Wooclap activeert hun voorkennis over dit onderwerp en de leerkracht voegt bij de bespreking extra kennis toe. Daarnaast leren de leerlingen naar elkaar te luisteren en hun beurt af te wachten, wat hun sociale vaardigheden doet groeien.

 

Stap 2: Werkgevers- en werknemersorganisaties  

In deze stap wordt de structuur van de les toegelicht en wordt dieper ingegaan op de verschillende soorten werkgevers- en werknemersorganisaties en hun rol in onze maatschappij. De leerkracht gaat hierbij ABC-ondersteunend te werk door een participatieve, afstemmende, begeleidende en verhelderende stijl toe te passen.  

WERKNEMERSORGANISATIES 

Wat doet de leerkracht? 

Voorbereiding: Doornemen van de slides om de leerstof te doceren. Zie onderstaande bijlage voor een overzicht van de slides voor dit deel. Knippen van kaartjes en printen van schema - zie tweede onderstaande bijlage.

Tijdens de les: De leerkracht licht de structuur van de lessenreeks aan de leerling toe.  Hij of zij doceert de materie over de verschillende werknemersorganisaties.

  • Er wordt stil gestaan bij de taak van de werknemersorganisaties.
  • De drie grote vakbonden worden toegelicht.
  • Betekenis begrip ‘gesyndiceerde’
  • Bestaan van vakbondsafvaardiging binnen een onderneming
  • Bestaan van de werknemersorganisaties is historisch gegroeid uit een aantal politieke partijen.

Om de informatie meer te duiden wordt nog een korte informatieve video getoond over het onderwerp. Voor de les begint, zet de leerkracht volgende video klaar: https://www.youtube.com/watch?v=kW9eamxD-WU. Nadat de leerkracht de theorie heeft toegelicht en de video is bekeken, wordt de klas in vier groepen verdeeld. De leerlingen mogen zelf kiezen met wie ze een groep vormen. Elke groep ontvangt één schema en een aantal kaartjes.  Vervolgens licht de leerkracht de opdracht toe: de leerlingen moeten proberen de kaartjes te koppelen aan de juiste werknemersorganisatie.

Terwijl de leerlingen de opdracht uitvoeren, loopt de leerkracht rond en beantwoordt hij of zij de vragen van de leerlingen.

Nadat de leerlingen de puzzel hebben afgewerkt, wordt de oplossing geprojecteerd op het bord en is er ruimte voor eventuele vragen. De leerkracht vraagt de leerlingen hun banken terug te plaatsen.

Einde eerste lesuur: Om de les af te sluiten, vraagt de leerkracht aan de leerlingen om thuis eens na te gaan of hun ouders aangesloten zijn bij een vakbond, zo ja de welke?

Wat doen de leerlingen? 

De leerlingen krijgen de instructie om groepen te vormen.  Zodra een groep klaar is met de opdracht, steken de leerlingen hun hand op. Zo behoudt de leerkracht een duidelijk overzicht van de voortgang van de verschillende groepen. Bij eventuele onduidelijkheden is er de mogelijkheid om vragen te stellen. Op het einde van de les verplaatsen de leerlingen hun banken terug. Thuis gaan de leerlingen na of een van hun ouders aangesloten is bij een vakbondsorganisatie.

WERKGEVERSORGANISATIES 

De werknemersorganisaties werden reeds toegelicht vorige les, nu wordt stilgestaan bij de werkgeversorganisaties. 

Wat doet de leerkracht? 

Voorbereiding: De leerkracht print kopieën voor het aantal leerlingen in de klas.

Tijdens de les: De leerkracht start de les met de vraag of de ouders van de leerlingen aangesloten zijn bij een vakbondsorganisatie. De leerkracht toont interesse en anticipeert op de antwoorden van de leerlingen. Dit maakt het ook mogelijk om de leerstof van vorige les kort even te herhalen.

Om de overgang naar de leerstof over de werkgeversorganisaties te maken, stelt de leerkracht volgende vragen aan de klas:

  • “We hebben gezien dat de vakbonden de belangen van de werknemers verdedigen, maar wie verdedigt er nu de belangen van de bedrijven?”
  • “Zijn er leerlingen waarvan de ouders een bedrijf hebben?”

Nadat bovenstaande vragen door een leerling/leerlingen zijn beantwoord, licht de leerkracht de volgende opdracht toe. Hij of zij vraagt om de laptops boven te halen, maar deze pas aan te leggen wanneer hij/zij de opdracht volledig heeft uitgelegd. Iedere leerling krijgt een kopie – zie onderstaande bijlage. Op het blad staan de vier logo’s van de bekendste werkgeversorganisaties. De leerlingen krijgen de opdracht om volgende informatie aan te vullen op het blad: de volledige naam en de taak of missie van de werkgeversorganisaties. De leerlingen doen dit individueel. De leerkracht kijkt erop toe dat alles vlot verloopt. Van zodra de leerlingen klaar zijn met de opdracht vraagt de leerkracht om de laptops te sluiten. Vervolgens wordt de opdracht klassikaal overlopen.  De leerkracht laat aan de leerlingen de ruimte om meer informatie over deze werkgeversorganisaties te vertellen, indien de leerlingen hier meer over weten.

 

Wat doen de leerlingen? 

De leerlingen antwoorden op de vraag van de leerkracht. Vervolgens halen de leerlingen hun laptop uit en luisteren ze naar de uitleg van de leerkracht. Daarna lossen ze de opdracht individueel op.  Wanneer ze klaar zijn sluiten ze de laptop. De leerlingen kunnen bij de klassikale bespreking nog extra informatie over werkgeversorganisaties delen met de klas.

Koppeling ZDT (stap 2)

In deze opdracht kunnen we opnieuw de drie basisbehoeften identificeren. In deze stap is te zien dat de leerkracht goed inspeelt op de basisbehoefte Autonomie. De leerkracht voorziet de leerlingen de ruimte om extra vragen te stellen en laat hen zelf extra informatie aanbrengen wanneer zij nog meer kennis hebben over bepaalde werkgeversorganisaties. Deze basisbehoefte wordt verder ook versterkt door de leerlingen de keuze laten om zelf vier groepen te laten vormen. Daarnaast wordt alsook ingezet op Verbondenheid, doordat de leerlingen in groepen samenwerken en samen de leerstof verwerken. De leerkracht versterkt dit verbondenheidsgevoel door de leerlingen zelf thuis te laten nagaan bij welke vakbondsorganisaties hun ouders aangesloten zijn. Op die manier worden de leerlingen zich bewuster van de verschillen in de maatschappij en de verschillende beweegredenen om al dan niet bij een bepaalde vakbond aangesloten te zijn. Eveneens is te lezen hoe de leerkracht anticipeert op de antwoorden van de leerlingen. Deze interactie tussen leerkracht en leerlingen zorgt op haar beurt voor een versterking van het verbondheidsgevoel. Tot slot identificeren we enkele elementen die we kunnen linken aan de basisbehoefte Competentie. De leerkracht staat expliciet stil bij de opbouw en de structuur van de lessenreeks. Dit helpt de leerlingen om overzicht te bewaren en ondersteunt hen bij het plannen en organiseren van hun leerproces. Bovendien loopt de leerkracht rond tijdens het maken van de opdrachten en voorziet hij of zij de leerlingen van de nodige feedback.

 

Stap 3: Arbeidsovereenkomsten

In dit deel wordt dieper stilgestaan bij de verschillende soorten arbeidsovereenkomsten en niveaus waarop deze gesloten worden. Opnieuw gaat de leerkracht hier ABC-ondersteunend te werk door afhankelijk van de situatie en leerling een participatieve, afstemmende, begeleidende en verhelderende stijl toe te passen.

Wat doet de leerkracht? 

Voorbereiding: De leerkracht print de kopieën en neemt de slides voor deze les door.

Tijdens de les: De leerkracht vraagt de leerlingen hun laptops boven te halen en de vakmap op Smartschool te raadplegen. Daarin vinden ze verschillende arbeidsovereenkomsten - zie onderstaande bijlage. Hij of zij vraagt de leerlingen om één willekeurig document te openen en na te gaan of het om een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst gaat en waaraan ze dit precies herkennen. Nadien stuurt de leerkracht de antwoorden van de leerlingen bij.

Vervolgens licht de leerkracht de theorie toe - zie onderstaande bijlage. Hierbij wordt gekozen voor een vraaggestuurde aanpak: door gerichte vragen te stellen, stimuleert de leerkracht de leerlingen om actief mee te denken en zoveel mogelijk zelf tot de juiste inzichten en antwoorden te komen. De leerstof behelst de volgende zaken:

  • Verschillende niveaus van sociaal overleg
  • Uitleg over arbeidsovereenkomst
  • Groep van Tien of interprofessioneel overleg
  • Situering en taak van paritaire comités
  • …

Nadat de leerstof gedoceerd werd, vraagt de leerkracht de leerlingen om zich opnieuw te verplaatsen in vier verschillende groepen. Opgelet, dit zijn deze keer door de leerkracht zelfgekozen groepen. Vervolgens licht de leerkracht de opdracht toe. Iedere groep ontvangt een blad met daarop enkele nummers van paritaire comités - zie onderstaande bijlage. De leerlingen raadplegen vervolgens de opgegeven website en zoeken voor elk nummer de bijhorende naam van het paritair comité op. Daarnaast gaan ze na of het betreffende paritair comité van toepassing is op arbeiders of bedienden. Wanneer het blad volledig is ingevuld, gaat iedere groep op zoek naar een recente cao van een paritair comité dat niet op het blad vermeld staat. De leerlingen nemen deze cao door en vatten vervolgens de belangrijkste inhoud in eigen woorden samen. De leerkracht deelt mee dat tegen de laatste vijftien minuten van de les iedere groep twee verantwoordelijken aanduiden die de inhoud voor de klas willen toelichten. De laatste vijf minuten meldt de leerkracht dat er een toets over dit leerstofonderdeel dient ingepland te worden. Ze vraagt de leerlingen wanneer dit voor hen het beste past.

 

Wat doen de leerlingen? 

De leerlingen halen hun laptops boven en surfen naar de vakmap op Smartschool. De leerlingen lichten toe welke soort arbeidsovereenkomst ze geopend hebben en waaraan ze dit herkennen. Ze luisteren aandachtig naar de toelichting van de leerkracht en participeren op de vragen. Vervolgens verplaatsen de leerlingen zich naar de juiste groep. Ze surfen naar de volgende website:

https://werk.belgie.be/nl/themas/paritaire-comites-en-collectieve-arbeidsovereenkomsten-caos/collectieve-4

en zoeken de paritaire comités op die bij de nummers horen. Nadat het blad volledig is ingevuld, zoeken ze samen naar een recent cao van een paritair comité dat niet op het blad voorkwam. Ze vatten de inhoud van het cao kort samen en kiezen twee groepsgenoten die de inhoud van het cao voor de klas willen toelichten. Nadat alle groepen hun cao hebben toegelicht, delen de leerlingen de leerkracht mee wanneer voor hen het beste moment is om een toets in te plannen.

Koppeling ZDT (stap 3)

Tot slot komt ook dit laatste onderdeel tegemoet aan de drie psychologische basisbehoeften. De leerkracht laat de leerlingen de mogelijkheid om een arbeidsovereenkomst naar keuze te openen en deze klassikaal toe te lichten. Verder betrekt de leraar de leerlingen bij het inplannen van een toets. Er wordt gepeild naar de werklast van de leerlingen in de periode waarin de leerkracht de toets wil inplannen. Samen met de leerkracht komen de leerlingen tot een datum die voor iedereen past. Deze twee voorbeelden dragen bij aan de basisbehoefte – Autonomie. Door samen in gesprek te gaan met de leerlingen speelt de leerkracht anderzijds in op de tweede basisbehoefte – Verbondenheid. Deze verbondenheid wordt verder versterkt doordat de leerkracht deze keer bewust zelf de groepen samenstelt. Hierdoor krijgen leerlingen de kans om samen te werken met klasgenoten met wie ze spontaal minder snel een groep zouden vormen en kunnen ze elkaar beter leren kennen. Tot slot heeft de leerkracht ook aandacht voor de derde basisbehoefte – Competentie. Bij het aanbrengen van de theorie hanteert de leerkracht een vraaggestuurde en begeleidende aanpak. Door gerichte vragen te stellen, worden de leerlingen zoveel mogelijk actief betrokken en gestimuleerd om zelf na te denken en zo stapsgewijs tot de theorie te komen. Verder stimuleert de leerkracht de leerlingen om de inhoud van de cao in eigen woorden samen te vatten. Hierdoor verwerken ze de leerstof actief en verdiepen ze hun begrip van de leerstof. Daarnaast werken de leerlingen samen aan één opdracht waardoor hun communicatieve en samenwerkingsvaardigen worden gestimuleerd en verder ontwikkeld.